Successie fase 2: de graslandfase

In de graslandfase verdringen grassen de allereerste pioniers-onkruidjes. Met hun dichte pollen vormen ze een dikke, gesloten laag zodat er minder water uit de bodem kan verdampen. Verdord gras verrijkt de bodem met organisch materiaal. Zo maken ze in een periode van twee tot vijf jaar de bodem geschikt voor ruigtekruiden en heesters.

De natuur laat er gras over groeien

In de allereerste fase van de successie zijn door pioniersplanten de eerste voedingsstoffen in de bodem gebracht. Hiervan profiteren grassen en graslandplanten. Zij veroveren terrein als opvolgers van de pioniers.

In het prille begin van de graslandfase zie je alleen wat iele sprietjes tussen de pioniersbloemen verschijnen. Maar als je die met rust laat, worden ze algauw graspollen. Naarmate de tijd verstrijkt, gaan ze een steeds dichte grasmat vormen. Tussen de grassen kun je bloemen vinden zoals klaver, weegbree, boterbloemen, witte en paarse dovenetel en paardenbloemen.

 

Onder een grasmat leven allerlei insecten, waaronder regenwormen. Regenwormen maken de grond los, waardoor planten makkelijker kunnen wortelen. Zo helpen ze de bodem voor te bereiden voor de volgende fase in de successie: die van de ruigtekruiden.

Grassen zijn nuttig. Het zijn groenbemesters. Ze verteren makkelijk en brengen hierdoor snel organisch materiaal in de bodem. Daarnaast zorgt een dikke grasdeken ervoor dat vocht in tijden van droogte niet zo snel uit de bodem verdampt. 

Grasland wordt vaak beheerd, waardoor het land in de graslandfase blijft. Als grasland z'n eigen gang mag gaan, dan neemt de graslandfase zo’n twee tot vijf jaar in beslag.